meer recent eerdere
Tekeningen
Constructions of an inner world
Diana Wind
juni 2016

Lenneke van der Goot (Gouda, 1979) plaatst zich met haar persoonlijke beeldtaal in haar tekeningen en installaties van tekeningen in de recente ontwikkelingen in de hedendaagse beeldende kunst.

De allereerste reden hiervoor is het feit dat zij tekenen als haar voornaamste medium ziet. Sinds het midden van de jaren tachtig van de vorige eeuw wordt wereldwijd door een aanzienlijk aantal kunstenaars tekenen als voornaamste discipline gezien, wordt er op enorme formaten gewerkt en worden de grenzen van het tekenen opgezocht en soms overschreden.

Dan komen we bij de tweede reden waarom Lenneke van der Goot een exponent is van de actuele ontwikkelingen in de kunst. Ongeveer tegelijkertijd met de opkomst van hernieuwde belangstelling van kunstenaars voor het autonome tekenen keert de belangstelling voor figuratie, esthetiek, romantiek en vakmanschap, het politiek en maatschappelijk engagement terug.

Zo langzamerhand blijkt dat, wereldwijd, aardig wat kunstenaars zich ongemakkelijk voelen in het keurslijf van het Modernisme en Postmodernisme. Dit is niet alleen bij tekenaars zo, maar ook bij kunstenaars die andere media inzetten om hun verhaal te vertellen. In feite is dit de praktijk sinds het begin van de 19de eeuw. Kunstenaars zijn sindsdien op zoek naar nieuwe wegen om hun verhaal te vertellen, weg van het platgetreden pad, zoeken naar mogelijkheden om persoonlijke en collectieve ontwikkelingen en gebeurtenissen voor het voetlicht te brengen. Vroeger sprak men over avant-gardes die elkaar opvolgden. Nu wordt, meer dan ooit, onderkend dat kunstenaars de spiegel van onze samenleving zijn. Vaak signaleren en reflecteren kunstenaars als eersten op wat er in de samenleving gebeurt. En juist omdat de kunstenaars vooroplopen is het voor theoretici moeilijk om recente ontwikkelingen binnen de kunst direct in de eigen tijd te kunnen plaatsen, de grote lijnen te  zien en de parallellen te ontdekken die er bestaan tussen de behoeften van de mens voor een betere of andere wereld en datgene wat kunstenaars ons laten zien.

Opvallend is dat een aanzienlijk aantal kunstenaars dat heeft gekozen voor tekenen als hun belangrijkste medium, kiest voor figuratie, romantiek, esthetiek en vakmanschap. Dit wellicht omdat tekenen tot voor kort niet als een autonoom medium werd onderkend. Misschien biedt dit de kunstenaars een uitweg naar nieuwe of hernieuwde beeldtaal, die individueel ontwikkeld toch een collectieve taal blijkt te zijn. Een collectieve taal die niet wordt gezien als een kunststroming, maar als een gevoelsstructuur van mensen die niet alleen de plek waar zij wonen maar de hele wereld als hun thuis zien. En deze gevoelsstructuur wordt het Metamodernisme genoemd. De ideeën van de Metamodernisten beslaan echter een veel groter gebied dan de kunsten alleen. Het Metamodernist Manifesto van Luke Turner, dat hij in 2011 schreef en op internet publiceerde, gaat over een nieuwe basishouding van de mens ten opzichte van de samenleving, politiek en economie. Dit wereldbeeld heeft een aantal kunstenaars, schrijvers en theoretici als Tim Vermeulen en Robin van den Akker naar hun beroepspraktijk vertaald. Volgens hen zijn het grote verhaal, het politiek engagement, het affect en het vakmanschap teruggekeerd. In interviews en eigen teksten geven zij helder weer hoe het Metamodernisme zich verhoudt tot de kunsten. Volgens hen vertegenwoordigt het een hernieuwd enthousiasme en engagement, een hervonden geïnformeerde naïviteit en oprechtheid. Zij kijken met een frisse blik naar de wereld en doen dit met de kennis die voorhanden is: geen nieuw dogma, geen tabula rasa, maar zonder cynisme aan een nieuwe toekomst willen bouwen. Vermeulen en Van den Akker constateren dat Metamodernistische kunst vaak romantisch en optimistisch is, maar dat zij zich nooit volledig aan een gedachte of gevoel overgeeft; het postmoderne relativisme is daarvoor te diep geworteld. Attitudes, strategieën en kunstpraktijken worden door Vermeulen en Van den Akker verklaard vanuit de sociaaleconomische en sociaal-culturele ontwikkelingen van het afgelopen decennium. Zij hebben het idee dat de tijdgeest kantelt met het gevolg dat kunstenaars zich gaan verhouden tot een nieuwe culturele sensibiliteit: tot een opkomende gevoelsstructuur. Deze relateren zij aan de drievoudige crisis die het Westen sinds het nieuwe millennium in toenemende mate in haar greep heeft. Deze crises vatten zij samen als de corrosie van het (geo)politieke centrum, de klimaatcrisis en de kredietcrisis.

Wellicht nieuw aan de denkwijze van de Metamodernisten is dat zij de twijfel toelaten, dat zij accepteren dat de wereld bestaat uit tal van tegenstrijdigheden, mogelijkheden en onmogelijkheden. Zij omarmen de dialectiek, willen de lessen uit het verleden gebruiken om aan een nieuwe toekomst te bouwen. Evenals bij de Verlichtingdenkers ligt hun focus op politiek, opvoeding, wetenschap (nu: technologie, ecologie), economie en cultuur. Ons belangrijkste referentiekader van de 18de -eeuwse Romantiek is uiteraard Caspar David Friedrich. Het sublieme van de natuur waarbij de mens als nietig werd gezien tegenover de overweldigende schoonheid en ongenaakbaarheid van de natuur. Inmiddels hebben we voor een groot deel die natuur geknecht, maar hopen we nu weer dat de natuur zich kan herstellen en het weer van ons kan winnen.

De tekeningen en tekeningeninstallaties van Lenneke van der Goot laten mens en dier (wolven en beren) zien in hun geabstraheerde natuurlijke omgeving waarbij plaats en positie worden bevraagd. Plaats en positie ten opzichte van elkaar; wat is de positie van een wolf of een mens in zijn roedel of sociale gemeenschap? Waar staan mens en dier in hun eentje? Hoe verhouden zij zich tot hun omgeving en tot zichzelf? Deze bevraging is verwant aan die van de 18de -eeuwse Romantici, maar uit zich op een geheel andere wijze. Er is geen verheerlijking van de natuur of de mens, meer een onderzoek naar een gevoelsstructuur die de tegenstrijdigheden van en wisselingen in de positie die de mens, bewust of onbewust, tijdelijk of permanent inneemt.

Zoals reeds eerder opgemerkt is de metamoderne attitude het duidelijkst zichtbaar in de recente opleving van de romantische traditie. Deze traditie is nooit weggeweest; ze werd in de westerse kunst alleen niet gewaardeerd omdat ze niet als vernieuwend werd gezien. De Britse denker Arthur Lovejoy schrijft dat er vele definities van de Romantiek zijn. Hij beschrijft dat deze is op te vatten als een periode of een paradigma, een stroming of een beweging, een levenswijze of een gevoel. Tegenwoordig is het voor sommigen uiterst politiek; volgens anderen juist pedagogisch; weer anderen menen dat het uitsluitend betrekking heeft op de kunsten. De een benadrukt nationalisme, de ander ecologie, de volgende Bildung, en weer een ander heeft het voornamelijk over het Sublieme en het Etherische.

Het Sublieme en Etherische verhoudt zich tot het Metamodernisme als het Sublieme en de Schoonheid tot de Romantiek. Dezelfde kenmerken zijn toepasbaar, maar nu in de vorm van toegestane tegenstellingen. Het heen en weer bewegen in gevoelens. Zoals het bij Lenneke van der Goot gaat om het heen en weer bewegen tussen de groep en het individu, de warmte van de groep en tegelijkertijd de vervreemding van de groep. De mens als nietig individu dat de groep ziet als een abstracte kluwen waar je geen deel vanuit kan maken omdat jouw gevoelens of leefwijze en overtuigingen je soms apart zetten. De mens als eenzame wolf kan die alleen overleven en zich dan volwaardig ontwikkelen? Kun je alleen zijn in een overbevolkte wereld en tegelijkertijd kun je je afvragen hoe het mogelijk is dat misschien juist wel door die enorme groei van de wereldbevolking de eenzaamheid toeneemt? Kunnen dieren, alleen of in hun roedel, overleven in een wereld die steeds meer wordt ingenomen door de mens, waarin mens en dier alsmaar meer tegenover elkaar komen te staan? Een wereld waarin dieren zich tegelijkertijd steeds beter aanpassen en met de mens samenleven in de geürbaniseerde omgeving.

De tekeningen en installaties van Lenneke van der Goot zijn met een grote vakmanschap uitgevoerd, ze vertegenwoordigen een schoonheid die behaagt maar ook wringt door de spannende samenvoeging van figuratieve en vervreemdende abstracte vormen. Je beweegt bij het beschouwen van het werk door de compositie en voelt waar de spanning zit en tegelijkertijd de rust. Je beweegt heen en weer tussen tegenstellingen die elkaar tegelijkertijd aanvullen. Van er Goot tracht vorm te geven aan, wat zij ziet als, onmogelijkheden en tracht tegelijkertijd de omgeving mooier te maken. In haar beleving leeft de stedelijke mens in een geconstrueerde wereld, die door het hoge tempo waarin de stad zich uitbreidt soms stuurloos lijkt te ontstaan. Zij vraagt zich af of er nog ruimte is om deze omgeving te herdefiniëren? Kan opnieuw ruimte toelaten worden in de chaos van de stad? Haar tekeningen kunnen ook gezien worden als mogelijke nieuwe manieren om de omgeving vorm te geven, om de wereld naar je hand te zetten. En dan gaat het niet om een werkelijk voorstel, maar om een voorstelling van een nieuwe werkelijkheid. Meer een gevisualiseerde versie van wat ook zou kunnen, een denkbeeldig alternatief, van een wellicht onmogelijk verlangen. Het niet-weten, de twijfel is het uitgangspunt voor het vormgeven van nieuwe mogelijkheden, zoals verbeeld in de tekeningen. Een werkelijkheid die alleen op papier, in de tekening, bestaat. Niet realistisch (uitgemeten, berekend, kloppend), maar wel een overtuigend, geloofwaardig alternatief. Daarbij gaat het niet om functionaliteit, maar om esthetiek en beleving. Dit wordt niet gepresenteerd als zijnde beter, maar als iets om op voort te borduren. Er zit ruimte in voor de beschouwer om zelf interpretatie te geven aan wat er te zien is. Er is ruimte voor nieuwe ingangen, voor eigen ideeën, bevraging.

Je voelt je misschien niet thuis in de wereld die Van der Goot tekent, maar hoe klein de mens ook is in de tekeningen we kunnen ons er toch mee identificeren. Hoe vaak voelen we ons niet nietig en bekijken en bevragen we de wereld die snel verandert en die zich wellicht steeds minder laat begrijpen en onbekende abstracte vormen aanneemt.

Vermeulen en Van den Akker schrijven: “Doorheen haar vele gedaanten wordt de romantische sensibiliteit echter gekarakteriseerd door de oscillatie tussen verschillende betekenende polen: het eeuwige en het vergankelijke, natuur en cultuur, hoop en melancholie, enthousiasme en ironie, het bijzondere en het alledaagse, enzovoorts. De kern van de romantische sensibiliteit is dan ook precies de spanning die volgt uit het verenigen van onverenigbare polen, het verbinden van twee tegengestelde posities, een onmogelijke mogelijkheid: een double-bind.”

Deze neoromantische sensibiliteit heeft zich geuit in een verscheidenheid aan kunstvormen en een variëteit aan stijlen. In de architectuur uit het zich soms als de spanning tussen het eeuwige en het vergankelijke; in Bas Jan Aders performances als het bevragen van de rede door middel van het irrationele; in het werk van onder anderen Peter Doig, David Thorpe en Lenneke van der Goot als het hernemen van cultuur door de natuur; het herpakken van civilisatie door het primitieve en recentere obsessies met het mystificeren van het alledaagse.

Deze kunstenaars hebben gemeen dat ze niet alleen teruggrijpen op mythologie, mystiek en vervreemding om het alledaagse leven te kunnen duiden of bevragen, maar ook om de wereld opnieuw te betekenen. Misschien wel juist omdat zij beseffen dat dit onmogelijk is.