meer recent eerdere
club focus
Openingstekst club focus
Jantine Kremer
maart 2013

Ik leerde het werk van Lenneke van der Goot kennen tijdens de inrichting van de Nieuwe Salon in Utrecht in 2008, een tentoonstelling van het werk van in de provincie Utrecht woonachtige kunstenaars. Sindsdien ben ik blijvend onder de indruk van de reikwijdte van haar tekeningen, de ruimte die ze letterlijk, maar ook figuurlijk innemen.
In Utrecht zag ik hoe Lenneke bezit genomen had van haar ruimte door tekeningen met levensgrote mensfiguren op te hangen en dierenschedels op de ramen te tapen. Daarna volgden nog vele andere vol getapete ramen (waaronder indrukwekkend genoeg een hele loopbrug), woekerende, papieren planten op een galeriemuur en een roedel wolven waardoor je je als toeschouwer omringd waande.
Ah ja! De wolven. Zij zijn mijn favoriet. Hoe kan het ook anders? Want de mens is duidelijk niet degene die de controle heeft in de wereld van Lenneke. De wolven in haar tekeningen staan met hun poten op de grond. Ze zijn stoer, ze komen doelgericht op je af. De mensen in Lennekes tekeningen zweven, hebben geen grond onder hun voeten. En als ze dat wel hebben, staan ze met hun rug naar de kijker toe en doen moeite om iets volstrekt onduidelijks of onmogelijks te realiseren. Of ze dreigen te worden verzwolgen door iets buiten proportioneels of het onherbergzame landschap van de tekening of het papier zelf. Ik zou het zelf kunnen zijn, die daar voort ploetert in de wereld.
Maar hoewel de dreiging van het verzwelgende papier of de onmogelijke handeling, niet speciaal een positieve ervaring lijkt te zijn, is Lennekes werk op de een of andere wijze zeer optimistisch. Het is meer een constatering van wat je al weet.
Maar dan, terug naar de reikwijdte.
Als bij een zanger met een buitengewoon groot bereik, is het voor Lenneke mogelijk om zowel met de ruimte buiten de tekening, als de ruimte die schijnbaar nog in de tekening verborgen ligt te spelen: ook de ruimte waar je normaal gesproken niet in kunt eigent ze zichzelf toe.
Lenneke speelde al sterk met het gegeven van de tekening door reeksen stempels of stickertjes het ritme van de tekening te laten bepalen en natuurlijk door in het papier te knippen. Maar ze gaat steeds een stap verder. Zoals schilders een eeuw geleden steeds meer gingen refereren aan het schilderij zelf door hun verf dikker op te brengen of niet langer hun best doen diepte te suggereren, zo refereert Lenneke steeds weer en ook steeds meer, naar de tekening zelf.
Ze neemt ons, als toeschouwer, steeds dieper mee de tekening in, tot alle referentiepunten met de buitenwereld verdwenen zijn: een tekening, van een tekening, van een kopie, van een foto van een verknipte tijdelijke papieren installatie, etcetera.
Deze grenzeloosheid is verraderlijk, past u goed op! Laat u zich niet misleiden door het letterlijke formaat van de tekening. Juist die kleintjes zijn gevaarlijk in dat opzicht.
Terwijl u zich straks steeds dieper naar een tekening toebuigt om te inspecteren hoe ze het gemaakt heeft (wat deed ze nou eerst? tekenen of stickeren?), staat u er voor u het echt in de gaten heeft middenin en weet u de weg niet meer terug.
Maar misschien is dat niet erg.
Ik wens u veel kijk- en dwaalplezier.

Jantine Kremer, maart 2013